Boute Ecologie Water & Advies
 
   
   

  Welkom
  Contact
  Werkvelden
  Projecten (historie)
  Schaapsloopven Valkenswaard
  Waterkwaliteit: Onderzoek relatie bestrijdingsmiddelen en macrofauna in de Rijnbeek (Venlo): TRIADE-benadering
  Beheerplan Watergangen Waterschap Aa en Maas
  natte natuurparel Sang en Goorkens
  natte ecologische verbindingszone Spruitenstroompje (Esbeek; Hilvarenbeek)
  Inrichting Poppelsche Leij en Rovertsche Leij Landgoed Breedijken (Goirle)
  Ecologische inrichtingsvisie Boven-Slinge
  Herstel Heukelomse beek en natuurontwikkeling
  IJzeren Man Water- en uitvoeringsplan
  Gemeentelijk Rioleringsplan Heerlen 2006-2010
  Stadswateren
  Waterkwaliteit
  Evaluatienota Volkerak/Zoommeer
  Volkerak/Zoommeer aanpassen natuurstreefbeeld
  Reuseldal: integraal beekherstel
  Bedrijfsidee en Ondernemingsplan
  CV en samenvatting
  Lopende projecten
  Zakelijk en Links
  Boute ecologie water & advies - natte ecologische verbindingszone Spruitenstroompje (Esbeek; Hilvarenbeek)

In opdracht van DOVO BV heb ik een advies opgesteld waarin een gebiedsanalyse, streefbeelden, doelsoorten, inrichtingswensen, -eisen en -elementen zijn uitgewerkt. Hieronder de inhoud van het advies.

Achtergrond, aanleiding, probleemstelling

Het beekdal van het Spruitenstroompje is onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur. Binnen de EHS worden bestaande of nog te ontwikkelen natuurgebieden door evz’s onderling verbonden. Het Spruitenstroompje heeft naast een waternatuur- en viswaterfunctie, een functie als natte ecologische verbindingszone (evz) die gepland is om onder andere een verbinding te maken tussen Landgoed De Utrecht, de Roovertse Heide, het Diessensch Broek (Landgoed Annina’s Rust) met het beekdal van de Reusel richting Kampina en de Oisterwijkse vennen.
 
Als onderdeel van natuurcompensatie voor de uitbreiding van een agrarisch bedrijf aan de Larestraat in Esbeek (gemeente Hilvarenbeek) wordt een perceel aanvullend op de bestaande evz (van 25 m breed) langs het Spruitenstroompje en Hoogeindse beek ingericht. De natuurcompensatie heeft een omvang van 1,2 ha. Over een lengte van 400 m gaat het om een strook van 30 m extra natuur (evz+). De totale breedte van de natte evz is 55 m.
 
In dit advies is de volledige breedte van de evz in ogenschouw genomen.
 
Doelstelling
Belangrijkste doelstelling van dit project is komen tot inrichtingskeuzes en inrichtingselementen die onderbouwd zijn vanuit de abiotiek (o.a. bodemopbouw, waterhuishouding) en ecologie (huidige waarden, potenties, kansen, streefbeelden). Aansluiting is gezocht bij de doelen en plannen voor het Spruitenstroompje en Hoogeindse beek aansluitend op (boven- en benedenstrooms) het in te richten perceel. Daarnaast zijn aspecten als landschappelijke inpassing en cultuurhistorie belangrijk. De inrichtingsschets en uitwerking geven randvoorwaarden aan die herstel van de (natte) ecologie voorstaan.
 
Gebiedsanalyse
In hier beschreven gebiedsanalyse worden de karakteristieken van het perceel met inclusief de beek (= samen het plangebied) en de naaste omgeving beschreven.
 
Ontwikkelingen
Het gebied bestaat hoofdzakelijk uit grote open akkercomplexen die ontstonden in de periode van de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd (1500 na Chr. tot nu). De perceelsgrenzen tussen de weidegronden en tussen de weide- en akkergronden bestonden tot halverwege de negentiende eeuw uit heggen, hagen en houtwallen. De woeste gronden (heide, wei- en hooilanden in de beekdalen) waren in gemeenschappelijk gebruik (“gemeynten”) en hadden geen gemarkeerde perceelsgrenzen. Begin twintigste eeuw werden de heidevelden ontgonnen en verdwenen de heggen en houtwallen door de komst van prikkeldraad. Het landschap werd opener en opener. Een deel van de heidegronden werd bebost met vurenhout voor de mijnbouw. Zo zijn landgoederen als de Utrecht en Gorp en Roovert ontstaan.
De ruimtelijke opbouw is in zekere zin tegengesteld aan de opbouw van het land­schap in pakweg 1850. Destijds was het een kleinschalig landschap waarin houtwallen, wegbeplantingen, erfbeplantingen en kleine bos­jes het beeld bepaalden. Het hele gebied werd omringd door uitgestrekte open heidevelden die nu dus bebost zijn.
Tegenwoordig is hét kenmerk de relatieve openheid (ten opzichte van bijvoorbeeld de Midden-Brabantse landschappen) die benadrukt wordt door een hele duidelijke en bijzondere begrenzing: de grote en gesloten boscomplexen van de Beekse Bergen, Gorp en Roovert, de Baest en de Utrecht op de voormalige open heidevel­den. Vooral aan de randen van het gebied leidt dat tot een sterke ruimtewerking.
De bovenlopen van het Spruitenstroompje en de Hoogeindse beek lagen eind 18e, begin 19e eeuw in een gebied, dat bestond uit een afwisseling van weides met sloten, houtwallen, heggen, bouwland en bosschages (zgn. “groene-kamertjes” structuur). De beek slingerde ter hoogte van de Larestraat licht. De brongebieden werden gekenmerkt door een open structuur van vooral heide. De huidige bovenloop van het Spruitenstroompje is in vergelijking met dezelfde loop uit 1900 doorgetrokken tot aan Landgoed De Utrecht. De landschapseenheid waarin de bovenloop van het Spruitenstroompje (en de Hoogeindse beek) ligt is te typeren als een jonge ontginning. De huidige Hoogeindse beek heeft een vergelijkbare loop en ligging als ruim een eeuw geleden.
 
Geologisch gezien liggen het perceel en het aangrenzende Spruitenloopje en Hoogeindse beek op het Kempisch Plateau, dat hoger ligt (ca. 23 m+NAP) dan de noordelijk gelegen Centrale Slenk (tot minimaal 8m+NAP). De Feldbissbreuk vormt de overgang tussen beide geologische eenheden. Het Spruitenloopje van “bron“ tot de Larestraat overbrugt 2,5 m (20 m+NAP en 17,5 m+NAP). Dit betekent een verhang van 2,5 m over 2500 m = 1 ‰. Ter plaatse ligt een onder de deklaag een 5 tot 45 m dik pakket met grove zanden en grind (formatie van Sterksel, het eerste watervoerend pakket (wvp)). Onder het 1e wvp liggen dikke en slecht doorlatende klei- en leemlagen met daaronder weer grofzandige afzettingen die het tweede en derde wvp vormen. 
 
Watersysteem
 
Grondwater
In het gebied is sprake van een complex grondwatersysteem door de breuken, (menselijke) ingrepen, gevarieerde bodemopbouw en de invloed van wind en water. Door grondwaterwinningen na 1900, verminderde infiltratie (verhard oppervlak, versnelde afvoer) en de inrichting voor de bosbouw (rabatten, brede sloten) is het grondwaterpeil gezakt en is de kweldruk in de middenlopen van Spruitenstroompje en de Reusel afgenomen. 
 
Oppervlaktewater
Rond 1970 is de hoofdontwatering in het gebied verbeterd. Na de Reusel werden o.a. het Spruitenstroompje en de Rosep aangepakt. Dat betekende normalisatie van het dwarsprofiel (steile oevers) en het rechttrekken van de beek. In het Spruitenstroompje en in de van oorsprong gegraven bovenlopen zijn in de loop der tijd veel werken uitgevoerd om de afvoercapaciteit en peilbeheersing (stuwen) te verbeteren. Na de hoofdontwatering vond verbetering van de af- en ontwatering in de landbouw plaats.
 
In het gebied ten westen van Hilvarenbeek en Esbeek komt een groot aantal van west naar oost afwaterende bovenloopje voor. Het gaat o.a. om de Hilver, Roodloop, Aalst, Hoogeindse beek en Voortse loop. Het Spruitenloopje “ontspringt” aan de noordkant van Landgoed De Utrecht waar het vooral door landbouwwater en oppervlakkig afstromend grondwater wordt gevoed. Ondanks het aanwezige verval stroomt het water nauwelijks door de stuw in het Spruitenstroompje even na samenkomst van het Spruitenloopje en de Hoogeindse beek. Het Spruitenloopje bovenstrooms de Larestraat valt regelmatig droog. Van overstroming van het perceel is geen sprake.
Het perceel waar het hier over gaat was vroeger een bosperceel met opslag, ondergroei en struikgewas gedomineerd door waarschijnlijk wilgen en elzen. Nu resteert nog een strook (“ruilverkavelingsbosje”) van opslag van eiken en essen (ongeveer 15 à 20 jaar oud) tot op de insteek van de beek. Tussen de beek en het bosperceel staat een aantal varens. Het perceel is verder in gebruik als akkerland met onder andere voederbieten.
 
De fysisch-chemische kwaliteit van het beekwater in het Spruitenloopje is matig. Het is voedselrijk en enkele zware metalen (nikkel, koper, zink) en bestrijdingsmiddelen zijn in te hoge concentraties aanwezig. De kwaliteit van de waterbodem is niet bekend. De ecologische kwaliteit is laag, terwijl de potenties vrij hoog zijn.
 
Natuurwaarden (flora en fauna)
De bovenloop van het Spruitenstroompje, en de aangrenzende percelen bevatten weinig tot geen bijzondere natuurwaarden. Het bosperceel zal zijn waarde hebben in het vormen van schuil- en dekkingsgelegendheid voor bijvoorbeeld kleine zoogdieren, reptielen, vogels en amfibieën. Als leefgebied is het hooguit belangrijk voor insecten (bijv. kevers).
 
Doelen en streefbeelden
Onderstaande waterdoelen zijn van toepassing op het Spruitenstroompje en de Hoogeindse beek ter hoogte van het plangebied.  
 
Waterdoel waternatuur en viswater.

Het Spruitenstroompje ligt in het beheersgebied van Waterschap De Dommel en alle beken met de functie waternatuur (inclusief de gecombineerde functie met viswater) komen in aanmerking voor beekherstel. Het waterschap wil deze beekdalen voor 2018 herstellen. Binnen het Landinrichtingsproject De Hilver wordt voor de beken in het gebied (waaronder het Spruitenstroompje) een inrichtingsplan opgesteld. Voldoende stroming en stromingsvariatie (10 – 50 cm/s), de waterdiepte, de watervoerendheid en geen barrières voor vissen en andere waterorganismen zijn enkele randvoorwaarden voor de herinrichting van de beek. Voor het Spruitenloopje bovenstrooms betekent beekherstel in grote lijnen (visie van het waterschap) de beek inrichten als een licht slingerende houtwalbeek.

Waterdoel natte ecologische verbindingszone.

Doelsoorten van de natte evz zijn:
- amfibieën (heikikker, rugstreeppad, vinpootsalamander algemene soorten);
- dagvlinders (landkaartje, dikkopje, bont zandoogje, eikepage, koninginnepage);
- libellen (diverse soorten, specifieke heidesoorten, algemene beeksoorten);
- kleine zoogdieren (marter, bunzing, muizen, vleermuizen, waterspitsmuis);
- struweel en weidevogels. 

Gestreefd wordt naar een zo natuurlijk mogelijk ingerichte zone langs de waterloop waarbij de inrichting volgens het “natte kralensnoer” principe (Provincie Noord-Brabant, Groene Schakels, 2003) wordt ingevuld (zie kader).

Intermezzo

Het model Nat Kralensnoer verbindt gebieden waarin soorten leven die natte en vochtige omstandigheden nodig hebben. Denk daarbij aan amfibieën zoals de Kamsalamander en de Groene kikker, aan dagvlinders (Bont dikkopje) en aan libellen. Ook verschillende ruigte- en struweelvogels en kleine zoogdieren zoals de Bunzing profiteren van deze zone.

De Kamsalamander – de meest karakteristieke soort van het Nat Kralensnoer – is gebonden aan een landschap waar veel poelen voorkomen. Zijn leefgebied bestaat verder uit een landschap met houtwallen, loofbosjes en overgangen naar weiland.
Het Nat Kralensnoer is opgebouwd uit een strook met stapstenen en ziet er daardoor uit als een kralensnoer. Bouwstenen zijn: poel, moeras, grasland, struweel en bos.
 
Omdat de zone meestal langs een waterloop of beek komt te liggen, is er altijd een smalle strook aanwezig die bestaat uit de waterloop met zijn oevers. Onderbrekingen zullen dan ook beperkt zijn. De strook is minimaal 10 m breed met daarin een mozaïek van (vochtig) bloemrijk grasland, struweel en natuurvriendelijke oevers.
De stapstenen zijn minimaal 0,5 tot 1,5 hectare groot en bestaan uit een of meerdere poelen met een oppervlak van minimaal 500 m2, omgeven door vochtig (schraal)grasland, struweel en bos. De onderlinge afstand tussen de stapstenen is maximaal 300 - 400 meter.
 

 

Inrichtingseisen en -wensen
Voor de inrichting van de (natte) ecologische verbindingszone zijn onderstaande elementen van toepassing:
*      stapsteen in de vorm van een poel (minimaal 500 m2) of een cluster van poelen omgeven door vochtig grasland, struweel of bos. Voor de meeste doelsoorten is de geschikte afstand tussen de poelen maximaal 300 tot 400 m;
*      overgangen nat-droog, voedselrijk-voedselrarm;
*      natte en/of drassige laagtes;
*      houtsingels, houtwallen, heggen;
*      ruige overhoeken;
*      overgangen naar (extensief gebruikte) weilanden;
*      droge(re) percelen: bloemrijk grasland, droge ruigte, hooiland.
 
Deze inrichtingselementen zijn leidend geweest bij de totstandkoming van de inrichtingsschets (zie hieronder).
 
 
Beleving van het beekdal
Met het eventueel optillen van de beekbodem voor beekherstel in combinatie met beekbegeleidende begroeiing en - elementen worden de beek en het beekdal weer meer herkenbaar en beleefbaar in het landschap.

 

 

Boute Ecologie & Water Advies

 
  Boute Ecologie & Water Advies  
BEWA | Singelstraat West 2 | 6107 BV Stevensweert | M 06-23232172 | martin@boute-ecologiewateradvies.nl